Ontwikkelingsprojekt moet duurzaam zijn
Wat gebeurt er na de bouw van de school?
Opinie-stuk Friesch Dagblad dd. december 2007
door Johannes de Goede, Tûmba
Lau Schulpen van de universiteit van Nijmegen deed een beperkt onderzoek naar particuliere projecten in Ghana en Malawi en kwam tot de conclusie dat het beter kan met deze vorm van ontwikkelingssamenwerking. Hoe zit het met friese organisaties, gemeenten en bedrijven die zich sterk maken voor ontwikkelingssamenwerking?
Armoede kan bestreden worden als landen of mensen zelf in staat zijn om geld te verdienen. Daarvoor zijn er veranderingen in de wereldeconomie nodig. Het moet eerlijker! Goed bestuur en het opzetten van een goed werkend belastingstelsel hebben een gunstige uitwerking. In veel Afrikaanse landen vertoont de economie de laatste jaren een stabiele groei. Minder conflicten, een aantrekkende wereldeconomie en de belangstelling van investeerders ondersteunen deze ontwikkeling. Met meer inkomsten krijgen landen ook mogelijkheden om armoede te bestrijden.
Een persoonlijk contact met iemand uit een ander land vormt veelal de aanleiding om een project te ondersteunen. Het kan gaan om de bouw van een school of een ziekenpost, het opzetten van een weeshuis of de aankoop van koeien of geiten voor boeren. Omdat bijna elke ingezamelde euro ook daadwerkelijk naar het project gaat, kan de groep hier en krachtig draagvlak opbouwen. Al deze inspanningen komen voort uit de wens om verbonden te zijn met mensen in andere landen.
Wat trof Schulpen aan bij de onderzochte projecten in Ghana en Malawi? Bij het onderzoek onder 29 particuliere projecten constateerde hij een aantal zwakke punten: te veel gerichtheid op samenwerking met personen in plaats van lokale organisaties, te weinig onderzoek naar de behoefte van de doelgroep, te weinig samenwerking met organisaties die werkzaam zijn op hetzelfde terrein en te weinig aandacht voor versterking van de partner organisaties in de ontwikkelingslanden. Schulpen, die grote bewondering heeft voor de inzet van al die particuliere organisaties, vraagt zich af of veel van deze projecten wel duurzaam zijn. Blijft het project bestaan als de hulp vanuit Nederland stopt? Als organisaties zaken anders aanpakken dan kan er al winst geboekt worden, aldus Schulpen.
Er zijn genoeg projecten van Friese organisaties die voldoen aan het criterium van duurzaamheid. Boeren die samen met Afrikaanse partners gericht investeren in de opbouw van de melkveehouderijsector in Tanzania, waardoor 7.000 families een inkomen hebben. Bakkers uit Koudum die collega bakkers in andere landen helpen bij het opbouwen van een bedrijf met als resultaat: kwaliteitsproducten en veel werkgelegenheid. Artsen en verpleegkundigen van het MCL die al opererend in Nepal en Tanzania kennis overdragen.. Een Friese huisarts die met anderen een school voor voortgezet onderwijs bouwt en ook nog bereikt dat deze school in de top van de best presterende onderwijsinstellingen in Kenia verschijnt.
Voor andere sectoren is dat criterium van duurzaamheid moeilijker te bereiken. Neem bijvoorbeeld de problematiek van de wezen. Aids veroorzaakt in een aantal landen een enorme ravage. Kinderen verliezen hun ouders en de zorg wordt overgenomen door de grootouders. Maar ook zij kunnen wegvallen omdat ze oud zijn. Welke antwoorden zijn er mogelijk op deze tragedie? Vanuit het Westen wordt dan al vaak gedacht aan het opzetten van tehuizen voor wezen. In de Afrikaanse samenleving is dat een ‘vreemde' oplossing. Voor de ontwikkeling is het nodig dat kinderen zich kunnen hechten aan een ‘ouder' en in een weeshuis is dat niet altijd mogelijk. Vanuit Kenia komt het pleidooi om de verantwoordelijkheid terug te geven aan de gemeenschap en op zoek te gaan naar ouders die de zorg overnemen. De nieuwe ouders en de kinderen zouden al geholpen zijn als de kinderen op school een warme maaltijd krijgen. Lokale boeren kunnen de producten leveren voor deze maaltijden waardoor zij extra inkomsten krijgen. Ook deze oplossing kost geld. Er zijn organisaties die met succes fondsen werven bij de groeiende middenklasse in het ontwikkelingsland zelf. Ook dat kan helpen om projecten duurzaam te maken.
Particuliere groepen die projecten steunen in andere landen kunnen bij Tûmba aankloppen voor advies over het project zelf en over van medefinanciering. De belangrijkste vraag in deze gesprekken gaat over duurzaamheid. Als een groep mee wil helpen om de (her-) bouw van een school mogelijk te maken dan gaat het vooral over het vervolg: zijn er wel leraren, zijn er geldmiddelen voor lesmaterialen en salarissen en wie is verantwoordelijk voor de exploitatie van het gebouw. In die gesprekken sneuvelt er wel eens een project. Het rapport van Schulpen reikt vragen aan om het project in een breder en duurzamer verband te plaatsen. De sector zal er sterker door worden.










