Het publieke debat prevaleert

door: Brenda Ottjes, Coördinator Discriminatie Meldpunt Tûmba

Wilders wordt door het Openbaar Ministerie niet vervolgd voor zijn uitspraken over de Islam en moslims. Het OM heeft lang moeten studeren om tot deze beslissing te komen, want al in januari verwachtte men het besluit om wel of niet te vervolgen. Dat het onderzoek zo lang geduurd heeft, geeft aan dat Wilders juridisch gezien blijkbaar op een grens balanceert.

Discussiepunt is niet dat Wilders een religie bekritiseert. Kritiek op de Islam, of welk geloof dan ook, is toegestaan. Ook als een bepaalde bevolkingsgroep zich gekwetst voelt doordat hun religieus leider of hun God beledigd wordt. De vraag waar het om gaat is, in hoeverre de uitlatingen discriminerend zijn voor de gelovigen zelf.

In Nederland heeft iedereen het recht om zonder toestemming vooraf een mening te uiten. Maar vrijheid van meningsuiting betekent niet dat je onbeperkt mag zeggen wat je wilt: er geldt een ‘verantwoordelijkheid volgens de wet'. Dat wil zeggen dat je rekening moet houden met wettelijke regels en met de Grondwet. Per individueel geval bekijkt het Openbaar Ministerie de feiten (wat is er precies gezegd?) en omstandigheden (in welke context werd het gezegd?), waarna vervolgens de beslissing valt of de zaak voor de rechter gebracht wordt of niet.

Bij politici zoals Geert Wilders speelt de bijzondere omstandigheid dat volksvertegenwoordigers meer ruimte hebben dan gewone burgers om standpunten naar voren te brengen. Volgens artikel 71 van de Grondwet zijn Kamerleden onschendbaar en daardoor kunnen zij niet worden vervolgd voor wat zij in vergaderingen van de Kamer gezegd hebben. De reden hiervoor is dat het politieke debat een fundamenteel onderdeel is van de democratische samenleving en dat politici optimale uitingsvrijheid moeten hebben. Volgens het Europese Hof voor de Rechten van de Mens mogen uitlatingen schokkend, aanstootgevend of verontrustend zijn voor delen of het geheel van de bevolking. Het is dus toegestaan in de Kamer discriminerende uitlatingen te doen en daarnaast is het ook toegestaan voorstellen in te dienen die discriminerend zullen uitpakken. Wilders heeft diverse voorstellen gedaan om de rechten en vrijheden van moslims in te perken. Hiermee zet hij aan tot discriminatie, maar omdat het politieke voorstellen zijn, geuit in de Tweede Kamer, is hij onschendbaar. Tegelijkertijd zijn de voorstellen overigens onhaalbaar omdat ze leiden tot ongelijke toepassing van de grondrechten, wat verboden is.

Het Openbaar Ministerie heeft dus niet gekeken naar de uitlatingen die Wilders in de Kamer deed. Het gaat om zijn mening geuit in interviews, opiniestukken en de film Fitna. Bij de beoordeling van deze uitingen speelden een aantal vragen een rol. Worden de gelovigen als groep in diskrediet gebracht? Worden er haatgevoelens jegens moslims opgeroepen? Welke publieke rol vervult de aangeklaagde? Vinden de uitlatingen plaats in een publiek debat? Dit zijn de vragen waar het Openbaar Ministerie mee worstelde. Hierbij ging het vooral om welk aspect het meeste gewicht in de schaal zou leggen én om wat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in soortgelijke zaken besliste. Het Europese Hof kan namelijk in beroepszaken uitspraken van een Nederlandse rechter nietig verklaren.

Het Openbaar Ministerie heeft zich in haar beslissing om Wilders niet te vervolgen, laten leiden door het Europese Hof, wat heel gewoon en ook logisch is in de rechtspraak. Bij dit specifieke besluit prevaleerde de ruimte die er behoort te zijn binnen het maatschappelijk debat, boven de wetgeving tegen discriminatie. Op die manier moet de beslissing ook begrepen worden. Doordat de vrijheid van meningsuiting in dit geval volgens het OM prevaleert, is geen uitspraak gedaan over het discriminerende karakter van Wilders' uitlatingen. Het betekent dus niet dat we nu kunnen concluderen dat een opmerking van Wilders als "veel fundamentele problemen in Nederland, zoals infrastructuur, files, huisvestingsproblemen en de verzorgingsstaat, kun je rechtstreeks toeschrijven aan migranten" (DPA, 3 januari 2008), niet discriminerend zou zijn. Of "De grenzen dicht, geen Islamieten meer Nederland in, veel moslims Nederland uit"(De Pers 13 februari 2007). Deze uitspraken brengen wel degelijk een bepaalde groep in diskrediet en zijn ook juridisch gezien discriminerend. Het is jammer dat het OM hier weinig over zegt. Op z'n minst had het OM dit laatste kunnen benadrukken, zodat voor iedereen duidelijk zou zijn dat het wel om discriminatie gaat, maar dat het democratische recht op een maatschappelijk debat in dit geval, volgens het OM, boven het recht op bescherming tegen discriminatie staat.


Enquête

Tûmba peilde, met behulp van onderzoeksbureau Vraaghetdevries van de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden, hoe de Friese bevolking denkt over de verantwoordelijkheid van politici als het gaat om beledigende of discriminerende uitlatingen. Gevraagd werd met welke van de onderstaande stellingen men het meest eens was.

"Politici hebben een bijzondere verantwoordelijkheid. Zij moeten daarom voorzichtig zijn met beledigende of discriminerende uitlatingen."   88 % 
 "Politici zijn volksvertegenwoordigers. Daarom is het terecht dat zij meer vrijheid hebben om beledigende of discriminerende uitlatingen te doen dan gewone burgers." 12 %

 

Op de vraag of het oproepen tot discriminerende maatregelen onder de vrijheid van meningsuiting valt, antwoordde een kwart bevestigend. 40% vindt dat dit niet onder de vrijheid van meningsuiting valt.

Ten slotte werd gevraagd of een geestelijk leider zoals een dominee of imam, negatieve of beledigende uitspraken mag doen over bijvoorbeeld homoseksualiteit. Hierop antwoordde 16% dat dit toegestaan is, tegen 84% die vond dit niet mag.

(Onderzoek Vraaghetdevries, NHL, mei 2008)