Eigentijds idealisme

Eigentijds idealisme wil afrekenen met cynisme
Door Ate de Jong, medewerker Tûmba

“Niet zo cynisch,” waarschuwde Paul Witteman onlangs Jeroen Pauw. Gloort er hoop? Breekt het bewustzijn door dat cynisme stoer oogt, maar slap is? Of lazen beide heren Eigentijds idealisme van Gabriël van den Brink en waren ze onder de indruk? Maar waarom nodigen ze hem dan niet eens uit?

Van den Brink, hoogleraar Maatschappelijke Bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg,  wil afrekenen met het cynisme in Nederland. En hoewel “afrekenen” ook een nogal stoer en modieus woord is – ooit rekende alleen de maffia af – heeft Van den Brink een leerzaam boek geschreven, vooral voor journalisten en politici die niet op het platteland wonen. 
   
Van den Brink betoogt dat veel politici en journalisten een cynisch en negatief mensbeeld hebben. Cynisme schijnt voor hen de hoogste vorm van denken te zijn. Idealisme is uit.
Hoe vaak zien we op tv werkelijk bevlogen politici? Mensen met een verhaal, die daarvoor ook de tijd krijgen? Politici stellen zich steeds vaker als tv-sterren op die samen met de  journalisten moeten entertainen. Het moet vooral leuk zijn, en nog liever: sexy. Twittermans taal kent geen diepgang, want maar 140 tekens, en dat is te weinig voor een verhaal. 

Ik herinner me een schrijnend voorbeeld uit het programma van Pauw en Witteman. De heren hadden een dochter uitgenodigd van een brandweerman die  bij een brand in een werf was omgekomen. De brand was ontstaan doordat de eigenaar van de werf had geknoeid met de elektriciteit. Hij werd daarvoor in hechtenis genomen. De dochter zei bij Pauw en Witteman dat de man zo snel mogelijk vrijgelaten moest worden. Witteman verbaasde zich daar hogelijk over. Je mocht toch verwachten dat zij woedend op de eigenaar was? Nou nee, zei de dochter, het is nooit de bedoeling van de eigenaar geweest dat er door zijn fout mensen om het leven zouden komen. Een ongelooflijk heldere en wijze reactie van een jonge meid die en passant een ervaren journalist een lesje in mededogen gaf.

Worstelkampioen
Op basis van een grondig onderzoek betoogt Van den Brink dat het cynisme van de grachtengordel haaks staat op wat er leeft in de Nederlandse samenleving. Nederlanders lopen juist voorop als het gaat om maatschappelijk idealisme. Van den Brink geeft daarvan een verrassend voorbeeld. Hij laat ons kennis maken met John Bos, een voormalig worstelkampioen en PVV-stemmer: “Zijn lange blonde haar heeft hij strak naar achteren in een vlecht gebonden. (…) Een van zijn zussen is verstandelijk gehandicapt en woont tegenwoordig in een gezinsvervangend tehuis. John haalt haar iedere zondag op. Na de LTS ging hij in militaire dienst, maar daar is hij halverwege mee gestopt. Toen kwam hij bij de sportschool Simson KDO in de Haagse Schilderswijk terecht, eerst als lid en later als beheerder, in een gesubsidieerde baan (…)  Gepassioneerd vertelt John over een jongen die vijfendertig kilo is afgevallen sinds hij kwam trainen. Een andere jongen, die illegaal in Nederland verbleef, kon voor een klein bedrag als vrijwilliger bij de club aan de slag. ‘Wij hebben hem met de club opgevangen. Hij had helemaal niks. Nu heeft hij inmiddels zijn verblijfstatus en een huisje. Die jongen komt hier elke dag naartoe. Hij vindt het fantastisch wat wij voor hem hebben gedaan. Daar doe je het eigenlijk voor.’”

Respectvol, maar straight
De PVV-er stelt zich respectvol, maar straigth op. “Ben je vervelend, dan ga je d’r uit. Of je nou Achmed of Japie heet, dat interesseert ons niet. Je moet met elkaar leven en niet tegen elkaar. Dat is het verhaal”, zegt John Bos, wiens gesubsidieerde baan overigens op de tocht staat.

John Bos is het type Tabe Kooistra, de veel te vroeg overleden trainer bij de Leeuwarder boksvereniging Olympia. Een man die met hart en ziel voor zijn sporters ging en die graag bereid was, toen minister Verdonk zei dat moslims niet kunnen incasseren, twee moslim boksers in een sportief gevecht even te laten demonstreren wat incasseren is. Bos en Kooistra – het zijn gouden mensen die je in elke vereniging tegen komt. En niet alleen, maar waarschijnlijk wel meer op het platteland dan in de Amsterdamse grachtengordel.

Daarover hoeven we ons niet op de borst te slaan, want op een dorp is het gewoon minder gemakkelijk om je afzijdig te houden dan in de anonieme stad. Mensen in een dorp weten dat ze van elkaar afhankelijk zijn. Dat verklaart – zeker voor een deel – waarom van de 550 Nederlandse begrafenisverenigingen er liefst 220 in Fryslân actief zijn.

Dat het idealisme niet uit ons land verdwenen is, blijkt ook uit de massale inzet van mensen voor projecten elders in de wereld. Fryslân loopt daarbij al jaren voorop. In 2009 waren er in Nederland 12.000 van dit soort particuliere initiatieven. Voor veel mensen in het een vorm van zingeving, stelt Van den Brink, mensen worden er gelukkiger van als ze iets voor een ander betekenen. Hij wijst ook op de enorme groei van het maatschappelijk verantwoord ondernemen. Steeds meer ondernemers willen rekening houden met de drie p’s van people, planet en profit. Wie had twintig jaar geleden gedacht dat voor Chocomel alleen nog maar zuivere cacao gebruikt zou worden?

In alle sectoren van de maatschappij kom je mensen tegen die barsten van het idealisme, betoogt Van den Brink, ook al zullen ze ’t zelf niet vaak zo noemen: “Het Hogere maakt zich meestal niet met veel bombarie bekend. Het gaat er veeleer om dat mensen  in hun hart worden geraakt en dat is iets wat ze niet graag aan de grote klok hangen.”

Het Hogere
Van den Brink spreekt over het Hogere. “Hebben jullie nog lang nagedacht over die term?” vroeg een journaliste van de Volkskrant hem onlangs. “Die term was er meteen, want die had ik al bedacht voor ik met het onderzoek begon,” zei Van den Brink.

Jammer, want hij plaatst daarmee een sociale behoefte – hoe ver weggestopt ook – van ieder mens om wat voor anderen te betekenen buiten en zelfs boven ons zelf. Terwijl het niets meer, maar ook niets minder dan een basisbehoefte is. Omdat inzet voor anderen je meer mens maakt, voor God of voor de spiegel. Zeker christelijk geïnspireerde mensen willen dat nog wel eens ontkennen: dat je ’t ten diepste gewoon voor je zelf doet, immers voor jouw relatie met God, of met jezelf. Inzet voor een ander vereist dat we daar 100% eerlijk over zijn, anders sluipen er te veel goede bedoelingen en ongelijkwaardigheid in de relatie met die ander.

Politieseries
Van den Brink concludeert ook op basis van onze keuze van tv-programma’s dat het wel meevalt met het cynisme en de vervlakking in Nederland. En dan wijst hij niet op zeer verantwoorde documentaires en diepzinnige interviews. Nee, de hoogleraar ontdekt het Hogere in de veelbekeken politie- en ziekenhuisseries. Een belangrijk kenmerk van deze series is dat ze keer op keer grote levensvragen behandelen, stelt Van den Brink: “Ze laten scherp zien hoe de personages met allerlei professionele en morele problemen worstelen. Het werk van de dienders en de artsen speelt zich altijd in een ethisch geladen context af. Dat geeft hun aarzelingen en beslissingen, hun fouten en successen een normatieve meerwaarde. Grote of complexe vragen over recht en onrecht, geld en moraal, mededogen en zelfstandigheid worden op een dramatische manier inzichtelijk gemaakt.”  De Nederlandse kijker kan uit tien medische series en wel zestig politieseries per week kiezen. Dat de kijkers dat massaal doen, betekent volgens Van den Brink dat  zij belangrijke morele waarden herkennen en dát illustreert dat het Hogere in de moderne samenleving niet verdwenen is.
 
Kortom: Er is dus een wereld te winnen voor politieke partijen die ooit hun ideologische veren hebben afgeschud of idealen hebben verkwanseld. Goed dat ze op zoek gaan naar hun roots. Die zouden wel eens in Fryslân kunnen liggen.


Deel dit bericht via: